De Koningin en de Dood – Celtic Queen

Er was eens een koningin. Zij heerste over een land dat reikte van de verste oostelijke horizon, daar waar de zon haar eerste prille stralen werpt, tot in het afgelegen westen.

Het fruit dat de boomgaarden van haar heerlijke landerijen voortbracht, was zoet en sappig, de oogst uitbundig en het graan op de koninklijke velden groeide weelderig hoog.

Haar onderdanen aanbaden  haar en  de wouden van haar immense rijk waren bevolkt met de meest uitgebreide soorten wild en kleinere dieren; van patrijs tot reebok, van paard tot everzwijn, van edelhert tot houtduif, van wolf tot raaf.

Toch was zij niet gelukkig.

Een sluier van droefheid vertroebelde het licht voor haar ogen, waardoor de wonderschone wereld waarin zij leefde,  er naargeestig uitzag.  Kortom haar definitie van heel de situatie was wat vertekend in vergelijking met de meest gangbare definitie, die natuurlijk ook weer slechts een definitie was.  En erger: zelfs in dat besef kon ze niet meer glimlachen.

Op een vroege ochtend stond de koningin voor haar spiegel die hing boven de ebbenhouten kaptafel op haar slaapkamer.

Toen ze  haar beeld in de spiegel bekeek, kwam dit haar vreemd en onbekend voor. Ze staarde naar dit spiegelbeeld en zag ogen die haar geest diep beroerden. Haar blik verduisterde en ze werd gewaar hoe haar lijf stilaan verdween en één werd met de kamer waarin ze voor diezelfde spiegel stond.  Ze voelde de hitte van de stenen muur van de kamer, die deel uitmaakte van de kasteelwallen, de volle hardheid van de houten deuren, de zwartheid van haar kaptafel. Ze versmolt met het gras in de hoftuin, meer nog, ze wérd het knisperende gras onder de groene rubberlaarzen van haar tuinman, en daarna werd ze de kilte in het gevlekte vel van de kikker die op de rand van het tuinpad sliep.

Haar gedachten regenden in druppels op het land en drongen diep doorheen lagen zand en klei de aarde in.  Haar hart klopte in het net-niet-ribfluwelen lijfje van een mol die een gangetje boorde door de zompige aarde, de wortels van paardenbloem en wilde margriet trokken haar omhoog.  Ze groeide naar de wolken toe, doorheen de takken van een verrimpelde eikenboom die hongerig zijn takken uitstak, tot in de verste twijgen,zuurstofvretend, ambitieus naar de zon reikend. Wat voor die oude vadertje eik uiteraard te hoog gegrepen was, en net daaraan dankte hij zijn gevorderde leeftijd, enorme stam en brede kruin.

Nu stond onder die eik een man, het enige wezen en object dat geen deel meer uitmaakte van haar zelf.  Dit was best wel eigenaardig  en haar  nieuwsgierige geest verbond zich met de zijne, zonder zich geheel in hem te verliezen.  Hij was de Goede Dood, die recht maakte wat krom was, leeg maakte wat vol was, oud maakte wat jong was. Van boven maakte hij onder, van rechts maakte hij links. Met andere woorden, hij gooide de dingen grondig overhoop.

Ze smeekte hem om haar weer in haar eigen lichaam te gooien, zodat ze gewoon verderkon met haar leven als koningin.

‘Je hebt nooit geleefd’, zei de Dood vriendelijk. ‘Je leven was een droom, een uit het niets ontstane nachtmerrie, waaruit je net ontwaakt bent. Alles komt van niets.’   Hij vertelde dat de wolken in de vijvers geen spiegels waren van de lucht, maar de lucht zelf en dat zij nooit koningin was geweest, wel een steen, een eik, een kikker, elk levend wezen, iedere dode vorm, maar nooit of te nimmer een koningin van vlees en bloed.  En waarom zou ze een ongelukkige koningin willen zijn als ze in plaats daarvan kon ademen met elk levend wezen, kon eeuwig zijn met een mineraal, zich kon uitzaaien als vol graan in de zomer, één zijn met al wat bestaat?  De would-be koningin zag de logica van zijn vraag in, maar verklaarde vertwijfeld  toch liever een koningin te willen zijn. Ze beloofde hem dat ze voortaan Alles zou koesteren:  de door de zon opgewarmde gloed van stenen, de leegte van de ruimte tussen haar meubels van de slaapkamer, de honger van de eik. Kortom, ze wilde liever koningin zijn dan de som van ervaringen van al wat is.

Gelukkig was ook de Dood een wiskundig melancholicus  die goochelde met getallen als 3, 13 en 666;  soms zelfs met Zeven of het heilige Pi en de begrippen Oneindig , Recursief en Negatief.   Vanuit een plots verwantschapsgevoel blies hij zijn adem over de akkers rond het kasteel; het graan rilde, een vijver rimpelde. De zon ging rusten en de sterren kwamen op.

Laat in de avond stond de koningin voor haar spiegel die hing boven de ebbenhouten kaptafel op haar slaapkamer.

De avond trok de nacht  in  en buiten riepen wolven naar de volle maan. De koningin liep de duisternis in, snelde op blote voeten door het bos, los door brandnetels, braamstruiken en allerhande  struikgewas.  Ze  huilde mee met de wolven ,  huiverde met de reebok om haar eigen woeste lied, en had de  zachtprikkelende pijn die in haar voeten tintelde en veroorzaakt werd door haar nachtelijk contact met brandnetels in het bos, innig lief.

Ze herkende zichzelf en glimlachte.

En natuurlijk leefde ze nog lang en gelukkig tot ze ook uit deze droom ontwaakte.

© Carine JA Maes

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s