De Ingenieur en de Duivel

Een zwart verhaal uit 1982.
“De Ingenieur en de Duivel”

De zee is zacht
voor wat ze omsluit
ze is zacht met een donkere bodem
en hoog boven haar krijsen meeuwen het uit
die niet weten wat moedig of laf zijn beduidt
Stomme gelukkige dieren
niets dat hun het bang zijn verbiedt
als ze vluchten en krijsen van schrik
als de een dan uit angst de andere volgt
weet hij dat niet
Verwijt het hem niet

Verwijt het ons hier beneden
Wij leven ver onder de zon
De meeuwen verwijtend
Hun krijsen belettend
Wij weten
Wij leven
Beneden

DE INGENIEUR OP WOENSDAG
Wij hebben bijzondere aandacht besteed aan uw sollicitatie en nodigen u uit om deel te nemen aan het sollicitatiegesprek dat zal doorgaan, donderdag, de 25ste  om 14 uur in onze gebouwen, Y-kaai 3 te A.
Goed, een sollicitatiegesprek. Morgen is het donderdag. Morgen dus, om twee uur. Zorgen dat ik op tijd kom. Mijn verdere toekomst zou er wel eens van kunnen afhangen, laten we hopen…
Wanneer ik nu om 12 uur op het station ben, en laat ons zeggen, om kwart over 12, nee half 1 vertrekt er een trein, dan ben ik om 1 uur of half 2 in A.  Een mogelijke vertraging in L. meegerekend.  Dan eerst naar het bureau van toerisme, vragen waar die Y-kaai ergens ligt. Misschien best ginder ook een stratenplan kopen.  Het kost maar vijf frank en zonder kaart loop ik hopeloos verloren.  Vervolgens op zoek naar de juiste tramhalte.  Twintig minuten rijden, afstappen… tien minuten gaan zal het wel zijn naar die Y-kaai.  O nee, laat ons zeker ruim genoeg schatten: twintig minuten.
Dan is het ondertussen al half 3 geworden, te laat. Dus best in de voormiddag vertrekken, dat wordt dan 11 uur of beter half 11. Da’s vroeg! Wat?
Om 10 uur in het station en ’s morgens vroeger het bed uit.  Ik zal de wekker voor alle zekerheid op 8 uur zetten. Tik-tak-tik-tak-tik-tak-tik…
Ik haat wekkers. Laatst vond ik er drie terug in mijn kleerkast.  Ik had ze er uit razernij ingesmeten.  Gelukkig heb ik nu mijn klokradio.  Geen getik, geen getak, geen gerinkel waarvan je dood in bed zou blijven.
Meer schreef onze ingenieur voor die dag niet op in zijn dagboek.  Méér zou er ook niet gebeuren volgens hem. Wat zou er ook kunnen gebeuren.  De ervaring had hem geleerd dat er in het  leven van iedere dag géén echte hoogte- of dieptepunten bestonden, geen schokken, geen noemenswaardige buitennissigheden of hartstochten.
Het leven was banaal regelmatig, een eenvoudige rechte lijn met hier en daar kleine schommelinkjes of breukjes die vaak nog voorspelbaar waren ook.
School-vakantie-school-vakantie-school…
De routine, weerkerend, onveranderlijk vastgelegd.  En nu hij was afgestudeerd zou hij gaan werken, een vrouw ontmoeten en met haar trouwen of misschien ook niet.  Dat was dan een ander mogelijk vast te leggen traject.
Verder restte hem niets dan oud worden en sterven.  Alles was simpel, voorspelbaar en probleemloos. Hij was een evenwichtige jongeman van 24.
Maar soms, in gedachten, liet hij zich hoog meedragen of diep wegzinken in een weemoedige bui. Hij verdrukte dat onbestemde gevoel zoveel mogelijk, maar helemaal verdringen kon hij het niet.  Het was als één of andere gevaarlijke vloeistof die hij langzaam liet sijpelen in een zorgvuldig gedichte houten ton, veilig weggeborgen in een vergeten hoek.  Hij besteedde er verder geen aandacht meer aan, liet alles sijpelen zoals het sijpelde. Tot de ton overliep, de vloeistof verdampte en heel zijn wezen benevelde.  Dan zat hij aan zijn schrijftafel, bedwelmd door verstikte emoties. Hij probeerde te werken maar kon niet meer denken.
Hij vervloekte zichzelf en kwam oog in oog te staan met het onbekende Iets, de zoete vergeten droom, een warme zomeravond met purperroze hemel en de geur van witte lelies.  Hij verlangde naar meer, naar ongekend geluk, dat hij soms o zo zuiver aanwezig voelde in een ver weg klinkend melancholisch lied of een al even droef gedicht.
Dan zuchtte hij en bedacht hoe onzinnig het was om zo te zitten niksen. De klok tikte de uren weg, plaats voor dromers was er niet.  De nevel verdween, de crisis was voor hem voorbij.
Maar het langzaam sijpelen begon opnieuw.  Het was zijn ziekte.
De twijfel, de explosie van gevoelens, hij zag ze als een onbelangrijke breuk in de regelmatig rechte lijn van zijn leven.  Als een nevenverschijnsel, voortkomend uit kleinmenselijke zwakheid, iets waartegen hij zich uit alle macht verzette.
En dat lukte hem aardig.
De lijn werd onverbiddelijk voortgezet, sleepte hem mee in een duidelijk rechte vaart. Tijd om stil te staan wilde ze hem niet laten.  Alles verliep zoals het verlopen moest.  Alles lag zorgvuldig gepland op hem te wachten.
Daarom kon hij de dag van morgen beschrijven zoals hij eergisteren die van gisteren had beschreven.
Want alles was voorspelbaar.

Ik droom van zomeravonden
wandelen door het natte gras
een lage zon
en héél ver weg
een trein
die raast
door de oranje lucht

DONDERDAG
Het regende niet. De zon scheen fel.  Achter het raam van de nog wachtende trein leek zijn gezicht te branden.  Vurige pijlen spatten uiteen in de wagons, hun warme gloed kleurde de anders zo troosteloze houten banken goudgeel.
Hij trok de blinden wat lager, zodat de bank waarop hij zat vuilbruin in de schaduw ging treuren. Terwijl de banken achter hem, getroffen dor de spetterende pijlen hun gloed wel uit wilden zingen.
Zo zat hij in de schemering.  Een bleke magere jongeman met een veel te hoog voorhoofd en uitgebluste grijze ogen.  Hij leek kalm, maar wie goed keek kon zijn lippen lichtjes zien trillen, zijn wenkbrauwen zachtjes zien fronsen.  De vuurpijlen troffen hem niet meer. Toch voelde hij nog altijd hun gloed nasidderen onder zijn huid, hun warmte bleef gevangen in zijn zorgvuldig gekamde zwarte haren waarvan nu een weerspannige lok over het hoge voorhoofd viel.  Hij veegde met een schone blauwe zakdoek enkele zweetdruppeltjes weg en na die éne beweging, verstilde hij weer.
Buiten hem was er niemand in de wagon en dat beviel hem best.  Ook het stationnetje lag er verlaten bij, het was maar klein. In L. zou hij vast meer mensen zien.
Eindelijk: gefluit, gesis, de deuren klapten dicht, zijn lippen trilden.
De trein schokte en reed weg.  Eerst weifelend langzaam, maar zodra hij het station een eind achter zich had gelaten duizelde hij voort.   Op een onfeilbaar snel flitsende rechte lijn.  Buiten, op de grond, gleden de andere sporen voorbij, evenwijdig, regelmatig.
Pas bij het naderen van de volgende halte werden ze als door de bliksem in vieren gespleten, stortten ze zich in een wirwar van wisselende lijnen en vloeiden zodanig snel in en uit elkaar dat ze leken te leven.  Geknars, gepiep, gefluit.  Weer schokte de trein, weer trilden zijn lippen.  De deuren vlogen open. Op het perron liepen mensen haastig heen en weer.  Enkelen keken brutaal door de raampjes naar binnen.  Hij schoof de blinden wat omhoog zodat hij hen kon zien.  Hij bekeek graag mensen en gaf hen dan namen naar hun manier van lopen, spreken of gewoon naar hun uiterlijk.  Ze liepen er allemaal door elkaar, jonge en oude, lange magere en korte dikke, tevredenen en misnoegden.  Allemaal liepen ze over dezelfde stenen vloer van hetzelfde perron naar diezelfde trein en wachtten.

DE DICHTER EN DE DUIVEL
Hij was nu niet meer alleen in de wagon.  Naast hem op de bank waren een kolossale vrouw en  een dik jong meisje, waarschijnlijk haar dochter, gaan zitten.  De vrouw rommelde in een grote volgepropte tas en haalde er triomfantelijk een klein zakje zuurtjes uit, dat ze met haar dikke vingers begon open te peuteren.  Toen dat lukte, boog ze zich in al haar volheid over hem heen om het afgerukte stukje plastiek in het vuilnisbakje te werpen.  Vervolgens zoog ze gretig op een zuurtje, en smakte haar vette lippen nu en dan tegen elkaar, daarbij in diminuendo het geluid van een ontkurkende fles producerend.
De ingenieur zat stilletjes in zijn hoekje weggedrukt, bang voor het logge creatuur naast hem dat hem nog het meest ontzette door de dikke vlezige lippen die bovenop haar mond leken te liggen.
Hij draaide zijn hoofd weg en dwong zichzelf tot nadenken. Welke vragen kon hij bij zijn sollicitatie verwachten? Wat zou hij zeggen? Welke houding zou hij aannemen: vriendelijk, zelfverzekerd, voornaam?
Maar hoe hij zich ook inspande, de Vlezige Lip bleef hem storen, zelfs nu hij haar niet meer zag en hij gaf het denken op.
Tot zijn grote opluchting liet het vreselijke mens nu een tijdje haar zuurtjes met rust.  Ze zat vergenoegd voor zich uit te kijken als een goeiige loebasachtige hond.
Hij hoorde wel geen gesmak meer, maar nadenken lukte hem nog steeds niet.  Er was iets anders dat hem hinderde.
Op de bank recht tegenover de zijne zaten twee jongemannen naast elkaar en hij voelde hoe de stekende blik van één van hen onderzoekend over zijn eigen gestreepte das, witte hemd en donkergrijze jas gleed.  Hij durfde niet opkijken en keek steels naar de plooi in zijn broek.
De Vlezige Lip, de Stekende Blik, zijn rotsollicitatie…  Het was nog niet erg genoeg.
De zon begon opnieuw vurige pijlen op hem af te schieten.  Hij wilde de blinden weer omlaag trekken maar de moed om ook maar één kleine beweging uit te voeren ontbrak hem.  Hij bleef zitten zoals hij zat: met het hoofd naar beneden.
Eindelijk verslapte de blik van de jonge kerel, de trein maakte een bocht waardoor de zon verdween.  De Lip staarde braaf voor zich uit.
Hij keek op en luisterde naar de twee jonge mannen, die een gesprek begonnen waren.
De Stekende Blik had lichtgolvend donkerblond haar tot op zijn schouders en een rossige baard. Zijn ogen waren dromerig en helderblauw. Zijn  handen waren gaaf en fijn als die van een  meisje.  Zoals hij daar zat, rustig, afgezakt op de bank, losjes en schijnbaar zonder veel zorg gekleed, deed hij denken aan een vergeten dichter of miskend schilder.
Zijn gezel was van een onaangenaam kaliber.  Hij droeg een zware bril en had stijve korte donkerbruine haren maar had een voor zijn uiterlijk verrassend melodieuze stem.
Die man was de Duivel.  “Je denkt dat je veel weet, maar in feite weet je niks.” zei hij.
Hij keek minachtend naar de Lip en vervolgde iets luider:
“Zo zijn er veel stommelingen die voor zichzelf en hun nageslacht een hele hoop zekerheden hebben opgestapeld. Dat is dan wat ze zogezegd weten of kennen. En die zekerheden hebben dan nog betrekking op de onzekerste onzekerheid: de toekomst.
Hij sprak wel erg luid nu, de Lip bekeek hem zoals kleine kinderen kijken naar een gekke aap in een kooi.  De Duivel zweeg even.
“De enige bestaande zekerheid is die van het onzekere.  Alle andere zekerheden zijn  verzinsels van onze behoeftige geest.  Jullie zijn maar mensen,  die niet kunnen leven zonder zogenaamde zekerheden.  Jullie zijn je eigen God, je  eigen schepper.
De Dichter blies de laatste rook weg van een pas uitgedoofde sigaret en zweeg.
“Is een mens soms méér dan het Idee dat hij heeft? En is die Idee niet de Geest, schepster van gedachten, geheel van gedachten?  Zo is ook de gedachte schepster van zekerheden.  En gericht op die geschapen zekerheid handelen jullie.”
De dichter rolde een andere sigaret, hij kleefde ze dicht met het puntje van zijn tong, stak ze op en keek de Duivel aan, terwijl die fluisterend verder sprak.
“Bijgevolg zijn jullie gedachten jullie zekerheden.  Jullie zekerheden bepalen jullie daden die op hun beurt jullie aanwezigheid in de wereld bevestigen.  Daarom ZIJN jullie je eigen zekerheden, jullie eigen scheppers, die een louter geestelijk leven leiden. Zo zie je maar. Zonder geest is er geen leven, omdat de geest leven is. Zonder geest, geen gedachte, geen zekerheid. “
De Dichter keek hem verbaasd aan en protesteerde. “De invloed van het stoffelijke is niet weg te denken, ik voel deze bank, het papier van mijn sigaret.  Jouw redenering klopt niet.  Volgens jou zijn zekerheden ook nog eens schijn.  En vermits zij onze gedachten zijn, bestaan die ook niet echt, en als ik jouw redenering doortrek zijn we dan zelf ook schijn, zouden wij dus niet bestaan.”
“Ja” zei de Duivel. “Dat is ook zo.  Jullie bestonden enkel echt in het verleden.  De enige bestaande zekerheid is die  van het voorbije.  Verplaats deze zekerheden naar het fictieve heden of naar de fictieve toekomst en ze worden schijn.  Het is fictief, je bestaan NU is fictief.
Je vraagt je natuurlijk of hoe ik dan het bestaan van een echt tastbaar verleden verklaar.  Want dat is immers een aaneenschakeling van vroegere fictieve nu-momenten.  Logischerwijze zou het verleden dan eveneens fictie moeten zijn, maar  logica werkt hier niet.  Het bestaan van een werkelijk tastbaar verleden ligt in zijn onveranderlijkheid.  Het verleden is onveranderlijk, en wat onveranderlijk is, is echt.   Het NU bestaat dus niet, wegens haar niet-onveranderlijkheid.  Het lijkt te zijn, maar het is niet.  Het bestaat pas zodra het bestaan hééft.  Het is pas zeker zodra het voorbij is. Je kan slechts spreken van een bestaan in het verleden maar niet van één in het heden, laat staan van één in de toekomst.”  De Duivel lachte tevreden.
“Begrijp je.  Een ervaring bestaat pas zodra ze ophoudt te bestaan, hoe paradoxaal dit ook mag lijken.  Ik zal je een voorbeeld geven: jouw ervaring van pijn komt pas na de pijnscheut en niet ervoor of tijdens. Bij langdurige pijn heb je de indruk de pijn van het heden te voelen terwijl het die van het verleden is, de pijn van de tiende of honderdste milliseconde voor het zogenaamde NU.”

“En wat dan met het maken van toekomstplannen, maak jij die niet?” vroeg de Dichter.
De Duivel glimlachte fijntjes en antwoordde: “Dat is buiten de kwestie. Er zijn situaties waarbij jullie geplande schijnzekerheden overeenstemming vertonen met de echte (dus voorbije) zekerheid, maar deze overeenstemming is niet absoluut.  Dat niet-absolute element noemen jullie dan ‘het onzekere’.
Zekerheid is wit, onzekerheid is zwart.  Volgens de mens is de geplande schijnzekerheid dan grijs.  Want ze bevat alleen onzekere elementen.  Die geplande schijnzekerheid is niet grijs maar totaal zwart, enkel en alleen  al omdat ze onzekerheden bevat.  Die schijnzekerheid is veranderlijk, er zijn onvoorziene gebeurtenissen mogelijk, en, wat veranderlijk is, is  niet-onveranderlijk.  In verband met veranderlijkheid zijn er maar twee opties:  ze is er of ze is er niet.  Wat niet-onveranderlijk is, is bijgevolg veranderlijk, dus onzeker, dus totaal zwart.  Grijs bestaat niet.  Zo’n schijnzekerheid is nog het bedrieglijkst als ze perfect getimed  wordt.   Ze lijkt dan erg zeker, maar ze is het niet.”
-Laten we aannemen dat zoals jij zegt, enkel het voorbije zeker is.  Dan zit iedereen opgescheept met een hele hoop schijnzekerheidjes.  Klopt dat?
-Ja
-En jij vindt dat verkeerd?
-Niet zozeer verkeerd, eerder dwaas.
-Dwaas, maar positief, op het individuele vlak.
Je hebt het daarnet zelf gezegd, we zijn “maar” mensen, we scheppen zelf onze zekerheden omdat wij niet zonder kunnen.
-En dan, wat is daar positief aan.
De Dichter schudde zijn hoofd “Stel eens dat we al onze zogenaamde zekerheden gaan opblazen.  Die schijnzekerheden zijn niet zomaar gedachten.  Het zijn onze wensen, dromen, verlangens.  Op het individuele niveau is het vasthouden aan schijnzekerheden niet enkel aanvaardbaar, maar noodzakelijk.  We voelen ons beter en gelukkiger als we niet beseffen dat er helemaal geen zekerheden bestaan.  Helaas wordt die idee soms catastrofaal als we ze voorbij het individuele vlak doortrekken.  Als een gemeenschap die zekerheid als absoluut gaat ervaren, zelfs gaat opleggen, dan komt onze persoonlijke vrijheid in het gedrang.  In vele gevallen is ze in het leven geroepen om onze algemene belangen veilig te stellen, maar juist door haar absoluut lijkende karakter kan ze misbruik in de hand werken.  In zo’n gedachtendictatuur denken mensen niet meer na, de vooropgestelde zekerheid regelt alles.  De vrijheid gaat eraan.”
De Duivel lachte: “Dit is in ieder geval amusant.”
-Wat?
-Redeneren om te redeneren.
“Het kan nog amusanter worden” zei de Duivel, en hij strekte zijn arm uit, opende zijn hand, en blies twijfel onder de vorm van een purperroze wolk in het oor van de Ingenieur die tegenover hem zat.
Niemand merkte iets op.
“Zo komt er nog iets zinnigs uit voort” zei hij.
“De duivel mag het weten” repliceerde de Dichter naïef en hij glimlachte naar de Lip.
Zij glimlachte terug. De trein stopte.
Alle vijf stapten ze uit. De Dichter, de Duivel, de Ingenieur, de Lip en haar dochter.

DONDERDAGMIDDAG
Toen de Ingenieur uitstapte, verwonderde hij zich over het groot aantal mensen dat zo’n trein kon vervoeren.  Hij wreef over zijn rechterarm, die gekneld had gezeten tussen zijn eigen schouder en die van de Lip.  Had hij maar eersteklas gereden.   Hij verwenste zichzelf terwijl hij op zijn horloge keek.  Verdomme, 12 uur.  Waarom had hij ook geen trein later genomen.  Dat kwam ervan als je het zekere voor het onzekere nam, dacht hij bij zichzelf.  En dat voerde hem weer terug naar het gesprek  dat hij hoorde in de treinwagon.  Hij voelde wat wrevel opborrelen. Hij wilde  geloven dat  al wat hij ook maar wilde doen, controleerbaar was. Nu was hij hiervan niet meer overtuigd.  Hij had moed nodig: moed om over het perron te lopen, moed om de straat op te gaan, om te spreken, te lachen, te leven.  En die moed had hij gehad door de schijnzekerheid  waarover de Duivel het had gehad.  Hij wist of dacht te weten wat hij kon verwachten.  Wilde hij nog wel gaan solliciteren?  Was dit nu zijn leven.  Hij twijfelde en dat maakte hem radeloos.  Voor een ijverige correcte Ingenieur is twijfel gevaarlijk.  Het maakt hem van twijfelaar tot weifelaar.
Was dit alles?  Was er niet meer?  Was iets wel zeker of leek het alleen maar zo? Waarom handelde hij zoals van hem werd verwacht?
Om aanvaard te worden uiteraard.  Hij was enorm bang om alleen te staan.  Vandaar zijn uitgesproken afkeer van de marginaal, want die staat alleen.  Aanvaarding heeft zijn prijs: de Aanvaarden onderling verbinden zich ertoe éénzelfde taal te spreken, in woord en in daad.
Maar dan, moest hij dit heel zijn leven blijven doen?  Had de meerderheid gelijk?  Een onaanvaard vrij mens is toch ongelukkig.  Was onvrijheid dan geluk.
De arme Ingenieur stond op het punt zichzelf te verlaten.  De Duivel had hem het nodige duwtje in die richting gegeven, gewoon, door een idee te planten in zijn brein.
Hij draaide zich om en besloot naar huis terug te keren.

AVOND
Cirkel, driehoek, potloodpunt
Mijn hoofd draait, het wordt dol
een lege kamer vol geluid
do re mi fa sol
ik val, ik zweef
ik voel  niets meer
dan
Water
Aarde
Vuur
Ik ga mijn weg
nooit recht, steeds scheef
tot in het volgend uur.
Ben ik dan gek?

VRIJDAG
Het vijverwater is koel en diep en donker
en koel en diep en donker is de nacht
Het zwarte gat dat huizen opslorpt
zoals het vijverwater
het zwarte vijverwater
dat koel is en diep en donker
als de nacht

MARGARITA
Als Moskou Antwerpen zou zijn
en gele rozen wit
dan zouden we elkaar weervinden
de meester, hij en ik
Op een februari-avond
als sleutelbloemen voor de ramen staan
Dan zouden we weer dansen
door de straat
en slechts denken aan
het ogenblik

© Carine JA Maes       puberverhalen en gedichten 1982

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s