De wraak van de vlier

Er was eens een oude man. Hij was niet altijd oud geweest, maar voor alle mensen om hem heen leek dat wel zo. Want zij waren veel jonger dan hij en omdat in het moment de dingen lijken te zijn zoals ze altijd waren en altijd zullen blijven, hadden zij op hun beurt het idee dat zij de eeuwige jeugd bezaten. Hun wereld was groot en onbegrensd, ze gingen en stonden waarheen en waar ze maar wilden. Terwijl de wereld van de oude man ineenkromp tot de eetkamer van zijn kleine huisje, waar ook zijn bed stond en een smalle donkere kleerkast.

Zoals dat bij oude mensen gaat, voelde de man de jonge persoon die hij vroeger was, springlevend binnen in zichzelf zitten, opgesloten als een vogeltje in een kooi.

Zijn dagen waren eenzaam, hij praatte tegen de muren want hij had kind noch kraai, vriend noch vijand. Hij wist dat, als de Dood kwam om hem op te halen, er niemand treuren zou. Die gedachte kwelde hem. Behalve hijzelf was er geen kat die met hem begaan was, in goede of in kwade zin.

‘Ik heb alleen mezelf’, dacht hij somber. Dus bekeek hij zichzelf aandachtig in de spiegel: hij was mager en grijs met flesgroene ogen. Hij keek zolang tot zijn spiegelbeeld zich probeerde te ontdubbelen.
Wie was hij toch, als hij kon denken over zichzelf alsof het iemand anders betrof? Bestond er een ‘ik’ en een ‘ander ik’? De oude man sliep slecht. Hij lag over deze vraag nachtenlang te peinzen, en ook overdag zat hij hierover te mijmeren. Op een avond kwam hij tot de conclusie dat hij uit twee delen bestond. Een oude ik die rond schuifelde, at en sliep en zijn ‘andere’ eeuwig jonge ik.

Hoe zou het zijn als ik mijn jonge zelf kon verlossen uit zijn gevangenis, en het ergens zou verstoppen, zodat, als de Dood me komt halen, hij enkel mijn afgeleefde omhulsel zou meenemen? Dit vroeg hij half luidop aan de muur waartegen zijn lege kleerkast stond. Ik zou dan enkele uren wachten en als jonge man tevoorschijn komen om te treuren over mijn eigen dood. Zo zou er toch iemand verdrietig zijn om mijn sterven.

Nadat hij deze woorden sprak, draaide één deur van de kleerkast langzaam krakend open, alsof ze hem uitnodigde om bij haar binnen te komen en zijn wereld nog iets kleiner te maken. Zo scheen ze te bevestigen dat de Dood hem echt dicht op de hielen zat.

Nu had hij deze kast gemaakt uit het hout van een alles genezende vlier, die ooit lang geleden in zijn tuin was opgeschoten. De vlier had ook zichzelf geheeld, want hij was terug uitgegroeid tot een enorme, stevige struik. De vlierenhouten kleerkast was bijgevolg een magische kleerkast. Hij vervulde de wensen van al wie erin klom. De man wist dit niet. Het was nog nooit in hem opgekomen om in zijn kleerkast te kruipen. Toch was dat wat hij die avond deed.

Hij trok zijn schoenen uit, en stapte de kast in. Nog voordat hij de deur achter zich dicht trok, merkte hij hoe zijn hoofd licht werd en zijn ledematen jong en soepel. Zijn versleten ogen keken vol bewondering naar zijn jeugdige,krachtige ik, die naast hem stond. De oude man klom uit de kast, deed de deur dicht en strompelde gelukkig tot bij zijn bed. Ditmaal kon hij de slaap wel vatten.
In het holst van de nacht werd hij wakker van een schel geluid. Hij keek op en zag hoe de Dood op de rand van zijn bed een deuntje zat te fluiten. Hij lachte de Dood toe en ging opgelucht met hem mee.

De jonge man, die nog steeds in de kast zat voelde zich triest om het verlies van zijn oude zelf, en de tranen sprongen hem in de ogen. Zo kwam de wens van de gestorven man in vervulling, want er was iemand die om hem treurde.

De jonge man die de Dood door het sleutelgat gezien had, werd echter bang. Hij vermoedde dat de Dood zou terugkeren om ook hem op te halen. Vertwijfeld vluchtte hij naar buiten, een prachtige lenteochtend in. Maar de lente kon hem niet bekoren.

De witte bloesems van de meidoornhaag rond het kleine huis verdorden terwijl hij de tuin uitliep; een jong blozend meisje dat onderweg naar hem glimlachte, verschrompelde als een oud appeltje. Hij liep naar de dorpsherberg om zich tegoed te doen aan een heerlijke maaltijd, maar de lekkerste spijzen vergingen tot stof en as in zijn mond. Vrolijke gasten werden neerslachtig als ze de jongeman zagen, en hijzelf kon slechts nog droefenis voelen om de oude man die hij geweest was.

Diep ongelukkig liep hij terug naar huis, nam een stevig koord uit de schuur en hing zich daarmee op aan de magische vlier. Maar de Dood wilde hem niet, sneed de koord door en gooide hem terug zijn huisje in. Hierop kroop de jonge man in de vlierenhouten kleerkast, gek van angst en verdriet.
Niemand, niemand, tot de Dood toe, heeft de bewoner van het huisje ooit teruggezien.

Lentes kwamen en gingen, de jonge mensen van het dorp werden oud en zagen hun wereld stilletjes aan, op kousenvoeten maar onverbiddelijk, ineenschrompelen. De vlierstruik echter, spreidde zijn takken, groeide weelderig en overdekte het huisje, tot het helemaal aan ieder oog onttrokken was. En hij leefde nog lang en gelukkig.

© Carine JA Maes

3 gedachtes over “De wraak van de vlier

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s