Geluk schuilt soms in een klein hoekje

Zondag. Ik zat aan de ontbijttafel en keek door het raam. De herfst had de lindenboom en notelaar in goudgele kleuren gezet. Een glanzend tapijt van bladeren lag over onze onopgeruimde tuin. Zo voelde ik me ook. Niet opgeruimd. Verveeld. Het vallen van de bladeren knaagde aan mijn hersenen.

Zucht.

Dan hoorde ik gekrabbel in het donkere hoekje achter de lege stoel naast mij. Ik draaide me om. Pjotr de veldmuis zat met zijn boormachientje vlijtig een gat in de muur te boren.

‘Zeg, wat vang jij hier aan?’ vroeg ik hem beleefd maar met kordate stem. Pjotr gaapte me aan met zijn uitpuilende zwarte kraaloogjes en antwoordde dapper. ‘Ik boor een gangetje naar buiten.’
‘Tja.’ dacht ik luidop ‘Je bent nu eenmaal een veldmuis, geen huismuis. Zelfs geen tuinmuis.’ En dan vroeg ik hem: ‘Hoe ben jij hier eigenlijk binnengeraakt?’
‘De maïs’ piepte een treurig stemmetje vanonder de kast. Dit antwoord kwam niet van Pjotr. Maar van wie dan wel?
Ik ging plat op mijn buik liggen en gluurde onder de kast. Daar lag elfje Zelf te bibberen met haar elfenhandjes over haar oren. Ze hield helemaal niet van lawaai, vooral niet dat van boormachines. Elfje Zeven was bij haar. Ze lagen dicht tegen elkaar aan gekleefd, als dansers bij het begin van de dans. Maar dan liggend.
‘Hé, ik dacht dat jullie elkaar niet meer wilden zien.’ zei ik verwonderd.
‘Dat was voor de maïs’ riepen Zeven en Zelfje in koor. En zomaar kuste Zeventje zijn hervonden elfenliefje innig op de mond. Pjotr draaide met zijn oogjes bij het aanschouwen van zoveel ongewenste intimiteit en boorde naarstig verder. Zeventje staakte het vrijpartijtje, veegde zijn lippen af en verklaarde toen met raspende stem: ‘De maïs werd dus geoogst, met van die enorme maaimachines. Wij liepen toevallig samen over het veld, ik liep links, Zelfje rechts en Pjotr ergens in het midden. We hadden elkaar niet gezien. Tot die machine kwam en we de benen moesten nemen. Gelukkig renden we langs jouw huis en stond je garagedeur op een kier. We zijn naar binnen gevlucht en nu zitten we hier vast want de deur viel potdicht toe zodra we in je garage waren aanbeland.’
‘En we willen helemaal niet hier zijn! ‘ gooide Zelfje erachteraan.
‘En ik wil niet dat jullie een gat in die hoek boren’ mompelde ik vermetel. Ik begon diep na te denken.
God in de hemel dacht mee na, en vond zoals gewoonlijk een oplossing voor ons probleem. Hij stuurde een windvlaag de nog jonge herfst in. Die blies alle losse herfstbladeren op een keurige hoop. Hij deed ook mijn raam klepperen, zo hard dat het ten slotte openvloog.
De wind fluisterde: ‘Als God een deur sluit, opent hij elders een venster.’
Waarom had ik hier niet aan gedacht?
Pjotr keek op. Hij stopte met werken, blies over zijn boortje om het af te koelen en stak het daarna opgelucht in de binnenzak van zijn jasje. Dan hupte hij op de vensterbank en trippelde langs het open raam naar buiten. Zelfje en Zeventje fladderden met hem mee. Mijn verveling vloog hen lustig achterna. Ik sloot het raam en moest glimlachen toen ik wat steengruis voelde kraken tussen mijn tenen.
Geluk schuilt soms in een klein hoekje.

© Carine JA Maes

10 gedachtes over “Geluk schuilt soms in een klein hoekje

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s