Van de duivel die zijn quotum niet haalde

Ik wandelde door de onbevroren winternacht. Daar zag ik de duivel met zijn lege zielenzak. Hij stond boven op een betonblok bij een pijler van de brug over het kanaal. Elfje Zelf zat op mijn linkerschouder en wees naar hem, met haar slanke, lange elfenwijsvingertje.
‘Hij is neerslachtig. Sinds jullie ontmoeting met de eenhoorn heeft hij geen ziel meer te pakken kunnen krijgen.’ fluisterde ze in mijn oor. ‘En hij vindt dat vreselijk omdat hij daardoor zijn jaarquotum niet gehaald heeft.’ trompetterde Elfje Zeven, die op mijn rechterschouder zat, in mijn andere oor. Hun stemmetjes zinderden door mijn hersenpan in onevenwichtige stereo, elf in het kwadraat, zacht links, luid rechts. Zo gaat dat eenmaal, elfmaal.
Het regende overal. Tenminste, zover ik kon zien. Overal dus. Ook op de brug waar de duivel zich bevond. De striemende wind woei de regendruppels in zijn gezicht. Hij stond enorm stil, alsof zijn voeten wortels waren die zich hadden vastgezogen in het beton. Zijn handen kleefden aan de lage reling. Hij bleef onbewogen. Tot de wind draaide. Een luchtstroom leek van onder zijn voeten naar boven te lopen, over zijn rug, onder zijn golvende kleren, langs zijn romp.
In die beweging van de wind leek hij te groeien, uit te deinen. Dan ontknoopte hij zijn jas, die uiteraard zes knopen telde. Dat duurde even. Deze oude duivel had alle tijd.
Hij maakte zijn handen los, wierp zijn hoofd achteruit, ging door zijn knieën en zette zich af. Hij sloeg naar boven en naar voren in een woeste sprong. Zijn jas wapperde.
Lenig was hij niet. Hij kwam met zijn knokige heup op de reling terecht, twijfelde even en kantelde daarna met het hoofd naar beneden, het koude water in, dat hem opnam en zich om zijn lijf plooide in duizend kleine vloeiende vouwen. Ritmisch klotste het zwarte water tegen de rechtopstaande stenen wallen die het kanaal onder de brug vastklonken in zijn bedding. Als een ademhaling, af en aan, in en uit.
Ik liep mijn benen vanonder mijn lijf,naar het dichtstbijzijnde trapje, om het water in te duiken. Ik wilde hem redden!
‘Niet doen’ gilde elfje Zelf. ‘Hij kan niet doodgaan. Hij is gewoon zichzelf vergeten.’ Ik verwachtte dat God in de hemel zoals hij wel vaker deed, iets zou roepen, maar die zweeg wijselijk. Om duivels bekommerde hij zich niet. Dan hoorde ik een hoge fluittoon in mijn oor, die Zelfje had me bijna tinnitus bezorgd met haar schrille geschreeuw. Gelijk opgaand met het gefluit, zoefde een komeet voorbij. Zijn staart werd in honderden gele golfjes weerspiegeld door het kabbelende water. Even later stond het kanaal in lichterlaaie.
‘Het hellevuur!’ schreeuwde elfje Zeven dramatisch.
Grauw-oranje vlammen, met blauwe glinsteringen ontnamen me het zicht. Ik was nu blind en doof. Zelfje blies over mijn ogen, trok aan mijn oren en masseerde het gevoelige plekje boven mijn neus. Toen ik weer kon zien had het opgehouden met regenen, een dikke mistwolk dreef boven het overgebleven water.
En de duivel? Die stond weer boven op de brug. Hij was zelfs niet nat.
‘Zie je wel.’ zuchtte elfje Zelf opgelucht.

Ik had hem willen redden. Maar hij kon niet gered worden.
Hopelijk zal hij dit nieuwe jaar niet al te veel zielloos moeten ronddolen. Dat wens ik hem toe, vanuit heel mijn hart. Méér kan ik niet doen voor hem. Je kan niemand redden van zichzelf, zo zeker als water niet branden kan. Tenzij de duivel ermee gemoeid is, natuurlijk.

 

Het verhaal van de eenhoorn: geluk is nog steeds niet te koop

© Verhaallichtjes.com

10 gedachtes over “Van de duivel die zijn quotum niet haalde

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s