De dochter van de demonische koning

Zij was geboren om te sterven, het kind van de duisternis, de dochter van de demonische koning. De jaren die zijn haren grijs maakten, kleurden die van haar donkerbruin. Haar ogen schenen als sterren in lapsus lazuli blauw, zodra ze die opensloeg. Elke ochtend opnieuw.
Maar elke nieuwe dag bracht haar dichter bij haar lot, de dood loerde op haar met begerige ogen, vanachter de hoeken van haar kamer. In alle vier hoeken één voor één en tegelijk.

Wat kon zij doen? Hulp vragen aan de dienstbode met de kromme rug, magere handen en lege ogen was een onverdroten on-mogelijkheid. Die was doof voor woorden en blind voor blikken. De meid diende haar in alle eenzame uren, dagen en jaren die haar leven opbouwden, dat leger was dan de diepst denkbare leegte tussen de meubels van haar slaapkamer.

De jaren hadden het meisje getooid met een schoonheid die werd bezongen door tientallen dichters in de honderden steden van het land van haar vader. Haar vader die ze kende en ook weer niet, want hij hield haar gevangen in een buitenhuis met uitsluitend de gebrekkige dienstmeid als gezelschap, om haar ranke lijf in leven te houden, met voedsel en drank terwijl stapels boeken de gretige geest van het kind deden groeien. Wie haar had leren lezen, kon ze zich niet herinneren. Een rits kleurloze leraressen hadden elkaar opgevolgd, maand na maand zodat ze met niemand een band kon scheppen. Waartoe kon die ook dienen? Ze hadden haar geïnstrueerd over haar lot dat haar natuurlijk voorkwam. Zoals de zon, die opkwam in de ochtend en verdronk in de nevel van de avond.

Wat was haar lot? Te sterven, zodat hij, haar vader, leven kon. Hem haar benen schenken zodra de zijne onder hem bezweken. Haar armen en handen afstaan, de ene zowel als de andere, als die van hem begonnen te beven. Haar mond, met lippen, tong en tanden; zouden die van hem worden. Tot hij helemaal haar was en zij hem en zij sterven zou, in zijn plaats.

Dan zou hij een nieuwe dochter maken, haar opkweken als een nieuwgeboren kalf tot zij klaar was om het lot van haar zuster te delen.

Hij telde duizenden jaren, de demonische koning en had de wijsheid en kennis vergaard van een duizendjarige. Want hij had duizend jaar de tijd gehad.

Nu leefde in het koninkrijk een jongeman die had gehoord over de schoonheid en schrijnende bestemming van het koningskind. Zijn naam was Roek en roekeloos was hij, gezegend met de onverschrokkenheid van de jeugd, die pas uitdooft als een leven gevorderd is in dagen. Zijn moeder was de zon, zijn vader was een kind van deze aarde, een jager. Er bestaat geen aardser mens dan de jagende, die levens neemt. Een halfgod, dat was zijn zoon, op zoek zonder het te weten, naar een halfgodin, wat de dochter van de demonische vorst was. Want haar moeder, die zij nooit gekend had, was de maan, rond en zwanger. Zij, de Maan, had geluidloos geschreeuwd met een donkere mond toen ze het on-menselijk, on-goddelijk kind had gebaard. En eeuwig opnieuw liet het hemellichaam zich verleiden door haar demon, de duivelse koning, want hij bezat een aantrekkingskracht zoals zij die uitoefende op de getijden van de zee. Hij was haar maan, zoals zij die van hem was.

De zoon van de zon
De dochter van de maan
Nooit, nooit mochten ze elkaar aanschouwen
want dan werd de macht van de koning gebroken
Dus hield hij haar opgesloten
Zijn eigen vlees en bloed
Zodat ze dienen kon als precies dat: ·zijn eigen vlees en bloed.

En zodra de zon een zoon baarde, schonk de maan een dochter het leven.
Want er moest evenwicht zijn, zoals dat altijd het geval is, op deze aarde.
En ook: verlangen.
Verlangen en verschil
maken balans
in de wereld.
En de mensen
verlangen naar elkaar
naar heelheid, eenheid uit on-enigheid.
Balans en evenwicht.

Daar kwam Harend, een vogel uit het bos. Hij zong zijn lied, op de dorpel van haar slaapkamerraam. Het meisje luisterde en was hevig ontroerd. Ze huilde haar ogen uit en schonk hem één van haar lapsus lazuli kijkers. Ik raak ze toch kwijt, mijn ogen, dacht ze treurig. En liever schenk ik er ééntje aan een vogel die me een moment van vreugde bezorgt dan aan een vader die me oneindig leed berokkenen zal.

Harend vloog bij haar vandaan, het koele, donkere bos in. Daar hing een net, het net van de jager, de vader van de jongeman. Roek, die de netten moest inspecteren, werd overspoeld door onverklaarbaar medelijden (hoewel uitlegbaar vanuit dit verhaal) met de vogel en bevrijdde hem. Uit dankbaarheid schonk het gevleugelde dier hem een lapsus lazuli oog. De jongeman tuurde diep in het oog en terwijl hij dit deed, stortte de gevangenis van de koningsdochter in, de muren brokkelden af alsof ze van duinzand waren gemaakt en niet van steen. Zijzelf bleef ongedeerd.

Ergens onder de maan zwerft nu een eenogige schone rond, op zoek naar een vogel, aan wie ze haar tweede oog ten geschenke gaf en die, wie weet, haar ooit zal voeren naar haar bruidegom.
En de demonische koning? Hij stierf duizend doden tegelijk.

© Carine J.A. Maes

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s